Campus Campina : Balanceren tussen contrast en analogie

 

Vincent Mulder, Juni 2016

 

prof.dr.ir. P.J.V. (Pieter) van Wesemael (Voorzitter)
ir. M.W. (Marcel) Musch (1e begeleider)
ir. D.G.O. (Daan) Lammers (2e begeleider)

 

Industrieel erfgoed en het hergebruik daarvan is tegenwoordig een populair onderwerp. Industriële gebouwen herbergen kennelijk een gemeenschappelijke waarde om te behouden en levend te houden. De manieren waarop dit industrieel erfgoed wordt behouden en hergebruikt verschilt wel sterk onderling. Dit niet alleen in programmatische zin. De architectonische omgang met herontwikkeling verschilt sterk en is daarnaast onderdeel van het debat hoe om te gaan met het herontwikkelen van deze industriële gebouwen. Binnen de stroom van Nederlandse architecten in de 20ste eeuw is de visie van naast elkaar 'onafhankelijk' staande volumes de meest gangbare gedachte-gang geweest. Door deze 'onafhankelijke' architectuur zou het oude ten opzichte van de nieuwe toevoeging zijn integriteit behouden en beter tot zijn recht komen (Provoost, 1995). Kort geconcludeerd is het verschil maken en daarmee inzetten van contrast als hoofdmiddel vaak leidend geweest in de omgang met (industrieel) erfgoed. Maar contrast als middel is een vrij eenzijdige die vele malen meer complex is en in verschillende gradaties voorkomt. De Sola Morales beschrijft dit als volgt; ‘Comparison, as difference and similarity, from within the only possible system, that particular system defined by the existing object is the foundation of every analogy.’ Vergelijking is dus volgens hem een uiterst belangrijk middel om tot een analogie te komen. Binnen het geschreven essay Industrial analogy is geprobeerd te beschrijven in hoevere analogy als ontwerphouding toepasbaar is binnen de omgang met industrieel erfgoed en te zien waar 'grenzen' van analogie ophouden ten koste van contrast. Hoe zijn architecten omgegaan met dit principe in het verleden? 

Vooruitgangsdrang als motivator voor een nieuw type industrie

 

Eind jaren 50’ verscheen er aan het Eindhovens kanaal een nieuwe zuivelfabriek, later bekend als de Campina fabriek. Al sinds de 16e eeuw is in het gebied van de Brabantse Kempen al sprake  van boter productie. Tot de late 19e eeuw was deze vorm van productie lokaal en sterk verbonden aan het boerenbedrijf. Enige export van dit product kwam vanuit zogenoemde ‘botermarkten’, bijvoorbeeld in s’ Hertogenbosch en Eindhoven (Dekker, 1996).

Al gauw vond na 1895 een ontwikkeling naar een industrialisatie en specialisatie plaats. Er ontstonden ‘boterkrachtfabrieken’ die, meestal met behulp van handkracht, buiten het boerenbedrijf en in een coö-peratieve vorm boter produceerden. De verwerking van zuivelproducten buiten het boerenbedrijf kan gezien worden als het begin van het ontstaan van een geheel nieuw type industrie: de zuivelindustrie. Al gauw bleken handkracht-boterfabrieken niet meer aan de gewenste eisen te voldoen. Er was daarnaast vanuit de zuivelcoöperaties behoefte aan het verhogen van de zuivelproductie. Gecombineerd met allerlei andere factoren als bijvoorbeeld de rationalisatie van het landschap (met als gevolg hogere productie, ook mede door de introductie van kunstmest) was het pleit voor dit type fabriek beslecht. Stoomkracht won aan populariteit, mede vanwege deze hogere productie en betere hygïenische omstandigheden. 

Het voormalige fabrieksterrein lijkt zijn positie aan het kanaal net zo te ontkennen als de overige gebouwen in de omgeving. Het kanaal zelf is niet belangrijk, maar juist de wegen Kanaaldijk-Noord en Zuid lijken het gebied meer gevormd te hebben tot wat het nu is. Dit beeld wordt nog eens extra bevestigd door de soort bedrijvigheid in het ge-bied (auto gerelateerd, bouwmarkten, post-distributie). Infrastructuur is puur bedoelt voor functioneel gebruik. Verblijf speelt bijna geen rol. Vooral de kanaalzone richting de ring en rond het fabrieksterrein zijn sterk monofunctioneel in gebruik. Dit monofunctionele gebruik en de 'kale' indruk die het gebied uitstraalt bevorderen het gevoel van openheid. De open en 'losstaande' plaatsing van de gebouwen aan het kanaal maken dat de grens tussen bebouwing en straatprofiel niet duidelijk waarneembaar is. Voetgangersgebied bestaat niet of nauwe-lijks aan de Kanaaldijk Zuid. Het 'trottoir' heeft een praktisch nut om de auto neer te zetten. 

Doelstellingen

 

Vanwege de afgelegen locatie van de voormalige fabriekslocatie is het erg interessant om het vanuit een zogenoemde 'campus-benadering' het gebied te herontwikkelen. In Eindhoven zijn meer Campus-loca-ties te vinden zoals The Hightech Campus, TU/e-campus en in zeker zin Strijp-S. Al deze locaties zijn een verzameling gebouwen die met verschillende combinaties van programma's een rol vervullen binnen de stad Eindhoven. Een nieuwe 'Campina Campus' sluit hier op aan. De bedrijvigheid in het gebied zal op korte termijn niet verdwijnen en maakt de plek toch enigszins aantrekkelijker. Een nieuw programma-tisch concept en ontwerp sluiten daarom aan op de kenmerken die er al zijn en het gebied nu al aantrekkelijk maken. 

Scheiden en mengen

 

Het programma is voortgekomen uit de wens het huidige eentoni-ge gebruik in het havengebied te verrijken met andere vormen van gebruik. Doel hierbij is het gebied te transformeren vanuit al aan-wezige kenmerken in het gebied. In programmatische zin vormt het bedrijvige karakter van het gebied een bestaande 'laag' om op verder te borduren. Toevoegen van verschillende nieuwe werkruimtes voor creatieve bedrijven en industrie sluit hier op aan. Daarnaast is het toe-voegen van wonen in het gebied belangrijk om de leefbaarheid ge-durende een groter deel van de dag te verbeteren. Op dit moment is de kanaalzone in zijn gebruik monofunctioneel en heeft het een harde grens met de naastgelegen woonwijken. Door woningen juist in deze kanaalzone toe te voegen wordt deze grens minder helder en daarmee interessanter.

Massa, vorm en locatie

 

Door de rechthoekige orthogonale vormen lijkt het gebied vrij een-duidig en oogt het op het eerste gezicht vrij recht-toe-recht-aan. Maar de vormen veranderen naar gelang hun plek op het terrein. De oude fabrieksgebouwen zijn groot van volume en oppervlak en lijken wat betreft afmetingen meer op een gesloten bouwblok. Het contrast tus-sen het in vorm ongedefinieerde gebouw aan de westzijde (linkerkant) en meestal heldere geometrische U, L en rechthoekige vormen (in verschillende verhoudingen) is opvallend. Door het spel tussen ver-schillende geometrische vormen op elk een eigen locatie ontstaat een nieuwe gradiënt in de diepte-richting van de kavel. 

 

Lange zichtlijnen en hiërarchie

 

Lange zichtlijnen brengen hiërarchie en richting aan in het gebied. De belangrijkste zichtlijnen die de diepte en breedte van de kavel karak-teriseren worden extra benadrukt door de positie van de gebouwen. Maar te sterke zichtlijnen zijn niet gewenst om het open karakter van het gebied te behouden. Door gebouwen soms 'naar achteren' te zet-ten 'verbreed' de zichtlijn en is deze minder prominent aanwezig. 

Dit is een uittreksel van het volledige afstudeerrapport van Vincent Mulder uit Juni 2016. Voor meer informatie, contacteer het Urban Lab.